Naar de inhoud
Vonk, naar de startpagina
Fysica

Krachten en evenwicht

Een kracht is een duw of een trek, gemeten in newton. Heffen alle krachten op een voorwerp elkaar op, dan is er evenwicht en verandert de beweging niet.

1e graad11 tot 14 jaarConcept: Nog niet nagelezen door een leerkracht wetenschappen.

Waarom

Waarom beweegt het touw bij touwtrekken soms geen centimeter, terwijl beide ploegen uit alle macht trekken?

Op de kermis of op een schoolfeest trekken twee ploegen aan een touw. Iedereen zweet en zet zich schrap, en toch blijft de rode lap in het midden hangen. Er wordt hard getrokken, maar er gebeurt niets.

Dat komt omdat de twee krachten even groot zijn en in tegengestelde richting werken. Ze heffen elkaar op. Pas als één ploeg harder trekt, schuift het touw naar die kant. Zo leer je dat niet één kracht telt, maar alle krachten samen.

Zie het

Twee ploegen trekken aan een kist. Stel met de schuifjes in hoe hard elke ploeg trekt. Kijk naar de pijlen, de pijl van de resulterende kracht en of de kist beweegt.

De kist versnelt naar rechts

300 N
450 N
100 N
Links 300 N, rechts 450 N, wrijving tot 100 N. Resulterende kracht: 50 N. De kist versnelt naar rechts.
Beschrijving van het beeld

Een kist in het midden met links en rechts een ploeg die eraan trekt. Elke kracht is een pijl: hoe groter de kracht, hoe langer de pijl. Onder de kist staat de resulterende kracht als één pijl, met de grootte in newton. Zijn beide krachten even groot, dan is er geen resulterende pijl en blijft de kist staan. Anders schuift de kist naar de kant van de grootste kracht.

Snap het

Een kracht is een duw of een trek. Als je een kar duwt, een deur opentrekt of een bal wegschopt, oefen je een kracht uit. Een kracht kan iets in beweging brengen, afremmen, van richting doen veranderen of vervormen, zoals een bal die je platknijpt.

We meten krachten in newton, kort N. Een appeltje van 100 gram trekt met ongeveer 1 N aan je hand. Je meet krachten met een krachtmeter: een veer die verder uitrekt naarmate je harder trekt.

Een kracht heeft een grootte en een richting. Daarom tekenen we ze als een pijl. De lengte van de pijl toont hoe groot de kracht is, de punt toont de richting. Werken er meer krachten op hetzelfde voorwerp, dan tel je ze samen tot één resulterende kracht. Wijzen ze dezelfde kant uit, dan tel je op. Wijzen ze tegen elkaar in, dan trek je af, en de resulterende kracht wijst naar de kant van de grootste.

Is de resulterende kracht nul, dan zijn de krachten in evenwicht. Een voorwerp dat stilstaat, blijft dan stilstaan. Een voorwerp dat beweegt, blijft even snel rechtdoor gaan. Dat is de eerste wet van Newton, ook de traagheidswet genoemd. Alleen een resulterende kracht verandert de beweging.

Dat een geschopte bal op het gras toch stilvalt, komt door wrijving. Wrijving is een kracht tussen twee oppervlakken die tegen de beweging in werkt. Op een ruw oppervlak is ze groot, op ijs of op rolletjes klein. Zonder wrijving zou je niet eens kunnen stappen, want je schoenen zouden wegglijden.

De regel

Krachten in dezelfde richting tel je op, tegengestelde krachten trek je af. Is de resulterende kracht 0 N, dan is er evenwicht en verandert de beweging niet.

Uitgewerkt voorbeeld

Ploeg A trekt een kist met 350 N naar links. Ploeg B trekt met 200 N en een helper met 100 N naar rechts. Hoe groot is de resulterende kracht en welke kant schuift de kist uit?

  1. Tel de krachten naar rechts samen.

    200+100=300

  2. Links trekt 350 N, rechts 300 N. Ze werken tegen elkaar in, dus trek je af.

    350−300=50

  3. De grootste kracht wijst naar links, dus ook de resulterende kracht.

  4. Antwoord

    De resulterende kracht is 50 N naar links. De kist schuift naar links.

Doe het

Kies een niveau. Je krijgt telkens een nieuwe opgave, die meteen nagekeken wordt.

Oefenen

Ploeg A trekt een kist met 150 N naar links, ploeg B met 380 N naar rechts. De kist stond eerst stil. Doe alsof er geen wrijving is. Wat gebeurt er met de kist?

Ploeg A trekt een kist met 150 N naar links, ploeg B met 380 N naar rechts. De kist stond eerst stil. Doe alsof er geen wrijving is. Wat gebeurt er met de kist?
Kies het juiste antwoord

Misvattingen

  • Fout: Als iets beweegt, moet er altijd een kracht in de richting van de beweging op werken.

    Een ijshockeypuck glijdt na de slag nog lang door zonder dat iemand duwt. Hij vertraagt alleen door de kleine wrijving.

    Juist: Zonder resulterende kracht blijft een bewegend voorwerp even snel rechtdoor gaan. Een kracht is nodig om de beweging te veranderen, niet om ze te houden.

  • Fout: Als iets stilstaat, werken er geen krachten op.

    Een boek op tafel wordt naar beneden getrokken door de zwaartekracht en tegelijk omhoog geduwd door de tafel.

    Juist: Er werken wel krachten, maar ze zijn in evenwicht: de resulterende kracht is nul.

  • Fout: Twee krachten van 40 N en 30 N geven altijd samen 70 N.

    Dat klopt alleen als ze dezelfde kant uit wijzen. Trekken ze tegen elkaar in, dan blijft er maar 10 N over.

    Juist: Let altijd op de richting: optellen bij dezelfde richting, aftrekken bij tegengestelde richting.

  • Fout: Wrijving is altijd lastig en nutteloos.

    Zonder wrijving zouden je fietsremmen niet werken, zouden banden op de weg slippen en zou je niet kunnen stappen.

    Juist: Wrijving werkt tegen beweging in. Soms wil je ze klein, zoals bij een schaats, soms groot, zoals bij remmen.

Proef thuis

Een elastiekje als krachtmeter

Wat je nodig hebt

  • een stevig elastiekje
  • een dik boek
  • een stuk touw of een lint
  • een lat
  • vier of vijf ronde potloden

Zo doe je het

  1. Bind het touw rond het boek en maak het elastiekje vast aan het uiteinde van het touw.
  2. Leg het boek op tafel en trek heel langzaam aan het elastiekje tot het boek net begint te schuiven.
  3. Meet met de lat hoe lang het elastiekje is op dat moment. Een langer elastiekje betekent een grotere kracht.
  4. Leg nu de potloden naast elkaar onder het boek, zodat het erop kan rollen.
  5. Trek opnieuw langzaam en meet hoe lang het elastiekje nu is als het boek begint te bewegen.

Veilig: Trek rustig aan het elastiekje en houd het weg van je gezicht en je ogen, want een elastiekje kan losschieten. Werk op een tafel waar het boek niet af kan vallen.

Wat zie je, en waarom?

Op de tafel rekt het elastiekje veel verder uit dan op de potloden. Tussen het boek en de tafel is er veel wrijving. Op rollende potloden is er veel minder wrijving, dus is er een kleinere kracht nodig.

In het echt

  • Op een gladde winterdag strooit de gemeente zout en zand op de stoep. Het zand maakt de wrijving groter, zodat je minder snel uitglijdt.
  • Als een bus van De Lijn plots remt, schuif je naar voren. Je lichaam wil volgens de traagheidswet gewoon verder rechtdoor gaan.
  • Een kerstboom in een standaard blijft rechtop staan omdat de krachten erop in evenwicht zijn. Een windstoot kan dat evenwicht verbreken.
  • In de supermarkt rolt een volle winkelkar moeilijker op gang dan een lege. Je hebt een grotere kracht nodig om de beweging te veranderen.

Geschiedenis

In 1687 schreef de Engelse geleerde Isaac Newton zijn boek over de wetten van de beweging. De eerste wet zegt dat een voorwerp stil blijft staan of rechtdoor blijft bewegen zolang er geen resulterende kracht op werkt. Ter ere van hem heet de eenheid van kracht de newton.

Aan tafel

Waarom moet je harder duwen om een volle kar in beweging te krijgen dan om ze daarna te laten rollen?

Een vraag om samen over te praten, voor ouders en kinderen. Er is geen fout antwoord.

Fout gezien?

Een paar woorden is genoeg. We kijken het na en passen het aan.

Zoeken

Even laden…

Leesgemak

Kies wat helpt. Je keuze blijft bewaard op dit toestel.

Tekstgrootte

Gebruik je liever de instellingen van je toestel (zoom, schermlezer, donkere modus)? Die werken hier ook gewoon.